Welke impact heeft de kernuitstap op de elektriciteitsfactuur?

De impact van de uitvoering van de kernuitstap op onze elektriciteitsfactuur is niet eenvoudig vast te stellen. Dat kernenergie in ons land niet voor een goedkope elektriciteitsfactuur zorgt, is echter overduidelijk.

 

Prijsvorming op de elektriciteitsmarkten

In de vrijgemaakte elektriciteitsmarkt wordt in de regel een onderscheid gemaakt tussen drie deelmarkten: de groothandelsmarkt, de markt voor de eindafnemers (kleinhandel), en de balancingmarkt.   De prijsvorming gebeurt op de verschillende deelmarkten op een andere manier.

De transacties op de groothandelsmarkt kunnen gebeuren op bilaterale basis of via de energiebeurzen (Belpex in België). Hierdoor kunnen elektriciteitsleveranciers die niet over (voldoende) eigen productiecapaciteit beschikken, de productiecapaciteit aankopen die ze nodig hebben voor de levering aan hun klanten. De “evenwichtsprijs” op deze markt wordt voornamelijk bepaald door de kost van de marginale centrale (zie fiche 'De kost van kernenergie'). Aangezien een kerncentrale basislast levert en nooit instaat voor de marginale productie, beïnvloedt kernenergie de kostprijs op de groothandelsmarkt momenteel niet. Het al dan niet langer openhouden van de kerncentrales zal dus normaal gezien ook geen invloed hebben op de kostprijs van elektriciteit op de groothandelsmarkt.

De markt voor de eindafnemers (kleinhandel) groepeert verschillende soorten klanten. De contracten tussen de grote industriële klanten en de elektriciteitsleveranciers zijn niet publiek. Voor de andere professionele klanten en de residentiële klanten legt de leverancier tarifaire formules vast (gebaseerd op een beursindex of op een parameter die de kost van hun productiepark weerspiegelt). De concurrentie op de elektriciteitsmarkt moet hierbij zorgen voor een zo voordelig mogelijke prijs voor de consument.

Uit berekeningen van de CREG blijkt dat de kostprijs voor particuliere gebruikers slechts minimaal zal stijgen. De meeste leveranciers (ECS, Essent en Nuon – goed voor ongeveer 75% van de aansluitpunten) gebruiken nog de parameters Nc en Ne  voor de bepaling van de energiecomponent van de elektriciteitsprijs van hun residentiële klanten. In 2010 publiceerde de CREG een studie (studie 987) over de impact van de sluiting van de kerncentrales op de parameter Nc en de verkoopprijs van elektriciteit aan residentiële klanten. Volgens de CREG zou het stilleggen van de drie oudste kernreactoren in 2010 leiden tot een verhoging van de energiecomponent van de elektriciteitsprijs met 8%  voor een residentiële klant type Dc , dit komt overeen met meerkost per jaar van 23,06€. Deze kost is zeer redelijk in verhouding tot wat de consument in totaal aan de kernenergiesector betaald (zie fiche 'De kost van kernenergie'). Bovendien kunnen we al gauw een veelvoud van dit bedrag besparen door te veranderen van leverancier  of door energie te sparen.

Belangrijk om op te merken is dat de CREG recent besliste om de parameters Nc en Ne niet meer te publiceren en de leveranciers opriep om hun tariefformules aan te passen . De CREG stelde vast dat parameter Nc niet meer de evolutie van de reële productie- en aankoopkosten van elektriciteit in België weergeeft en dat hij meer en meer afwijkt van de prijsvormingsmechanismen voor elektriciteit op de vrijgemaakte markt. Nc wordt immers berekend volgens een formule die teruggaat tot 2002 en die gebaseerd is op het Belgische productiepark voor elektriciteit van die tijd. Hij houdt dus geen rekening met nieuwe evoluties zoals de aankoop van elektriciteit op de beurzen, de invoer van elektriciteit, de productie uit hernieuwbare energiebronnen, de daling van de elektriciteitsproductie uit steenkool, de verhoging van de productie uit aardgas, enz.

Electrabel kondigde ondertussen al aan dat ze toch de parameters Nc en Ne zal blijven gebruiken en vraagt een onafhankelijke instantie deze parameters te laten berekenen…

 

Conclusie

Samengevat kunnen we stellen dat sinds de vrijmaking van de markt de elektriciteitsprijs op verschillende deelmarkten wordt bepaald en dat de leveranciers vrij zijn om zelf de formule te bepalen voor de facturatie van de energiecomponent. Hierdoor is het zeer moeilijk om de impact van de kernuitstap op de elektriciteitsfactuur te bepalen.

Wat we wél weten is dat de energiefactuur van de Belgische gezinnen sinds het in dienst nemen van de kerncentrales in 1975 steevast tot de hoogste behoort van alle OESO-landen. Het mag wel duidelijk wezen dat onze kerncentrales dus niet zorgen voor een goedkope energiefactuur. Naast de productiekost speelt namelijk ook de marktwerking een belangrijke rol in de prijszetting. Volgens een studie van het Duitse Oeko-instituut in opdracht van het Duitse milieuministerie leidt een levensduurverlenging van kerncentrales dan ook niet noodzakelijk tot een vermindering van de elektriciteitprijzen. Het Oeko-instituut vergeleek de prijsniveaus in landen met veel en weinig nucleaire productie, en zag geen verband met de hoogte van de elektriciteitprijs. De marktwerking – of het gebrek daaraan – is veel meer bepalend voor het prijsniveau dan de energiemix. Het Oeko-Institut wijst er echter op dat een verlenging van de levensduur van kernreactoren, de vernieuwing van het park vertraagt, en daardoor de prijzen juist omhoog dreigt te jagen.

Momenteel functioneert de Belgische elektriciteitsmarkt verre van optimaal door het beperkt aantal spelers op deze markt en het gebrek aan concurrentie. Door de kerncentrales langer open te houden, bestendigen we deze situatie en de dominante positie van Electrabel in het bijzonder. Bovendien kan Electrabel dankzij haar afgeschreven kerncentrales goedkoop elektriciteit produceren, dankzij dit concurrentieel voordeel is het zeer moeilijk voor nieuwe spelers om toe te treden op de Belgische elektriciteitsmarkt.

Conclusie: meer concurrentie op de elektriciteitmarkt in België moet de eerste prioriteit
zijn. En wat is de beste maatregel om meer concurrentie op de markt te krijgen? Ruimte creëren door de kerncentrales te sluiten.